Wie een vereffenaar wil laten benoemen, dient een verzoekschrift in bij de rechtbank. Dat klinkt als een formaliteit, maar de rechtbank toetst per verzoek of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Ontbreken er stukken of is de grondslag niet goed onderbouwd, dan vraagt de rechtbank om aanvulling, plant zij een zitting of benoemt zij een andere vereffenaar dan de verzoeker voor ogen had. Met een goed voorbereid verzoek voorkomt u vertraging.

De juiste rechtbank

Bevoegd is de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene (artikel 268 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat is niet altijd de plaats waar de erfgenamen of de schuldeiser wonen. Woonde de overledene de laatste jaren in een verpleeghuis in een andere regio, dan is dat adres in de regel bepalend.

De juiste grondslag

De wet kent twee artikelen, afhankelijk van de vraag of er beneficiair is aanvaard.

Er is beneficiair aanvaard: artikel 4:203 lid 1 BW

  • Onder a: op verzoek van een erfgenaam. Een erfgenaam hoeft zijn verzoek dan nauwelijks te onderbouwen.
  • Onder b: op verzoek van een andere belanghebbende of het Openbaar Ministerie, als zich een van de wettelijke situaties voordoet. Bijvoorbeeld als degene die de nalatenschap beheert ernstig tekortschiet of daartoe ongeschikt is, als de schulden de baten lijken te overtreffen, of als er al wordt verdeeld voordat de nalatenschap is vereffend.

Er is niet beneficiair aanvaard: artikel 4:204 lid 1 BW

Hebben de erfgenamen (nog) niet beneficiair aanvaard, bijvoorbeeld omdat zij niet reageren of hebben verworpen, dan kan de rechtbank op grond van artikel 4:204 BW een vereffenaar benoemen. Een schuldeiser kan dat onder meer vragen als hij het gevaar loopt niet volledig of niet binnen redelijke tijd te worden betaald, omdat de nalatenschap niet toereikend is of niet behoorlijk wordt beheerd en afgewikkeld (onder b).

Een schuldeiser moet aannemelijk maken dat er zo'n wettelijke grond is. Wie de verkeerde grondslag kiest of de feiten niet onderbouwt, loopt het risico dat het verzoek wordt aangehouden of afgewezen.

Welke stukken meesturen?

Rechtbanken vragen in de praktijk vrijwel altijd om:

  1. een afschrift van de overlijdensakte;
  2. een uittreksel uit het Centraal Testamentenregister;
  3. een uittreksel uit het boedelregister, waaruit blijkt dat beneficiair is aanvaard of verworpen;
  4. de namen en adressen van de erfgenamen en eventuele executeur, die de rechtbank moet oproepen (artikel 4:206 BW).

Ontbreken deze stukken, dan vraagt de rechtbank ze op. Dat kost al snel enkele weken.

Wie wordt de vereffenaar?

U mag in het verzoek een vereffenaar voorstellen. Voeg dan een verklaring toe waarin die persoon zich bereid verklaart de benoeming te aanvaarden. De rechtbank is niet aan het voorstel gebonden. Zijn partijen het oneens of is de voorgestelde persoon al bij de nalatenschap betrokken geweest, dan kan de rechtbank kiezen voor een onafhankelijke professional; zo besliste bijvoorbeeld Rechtbank Midden-Nederland op 21 september 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:4853). Dat is een voorbeeld van één beslissing; de uitkomst hangt steeds af van de omstandigheden.

Na de benoeming

De griffie schrijft de benoeming in het boedelregister in; de vereffenaar maakt haar bekend in de Staatscourant, zoals de beschikking bepaalt. Vaak verklaart de rechtbank de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat de vereffenaar direct aan de slag kan. Het loon van de vereffenaar wordt aan het eind van de vereffening door de kantonrechter vastgesteld.

Twijfelt u over de grondslag of over welke stukken nodig zijn? Een kort overleg vooraf voorkomt vertraging achteraf. Desgewenst stellen wij het verzoek voor u op.